The use of indicator species in nature management and policy making - The case of invertebrates in Flanders (northern Belgium)

  • Maes D
  • 2

    Readers

    Mendeley users who have this article in their library.
  • N/A

    Citations

    Citations of this article.

Abstract

In Vlaanderen, net zoals in de meeste andere NW-Europese landen, zijn natuurbehoudsbeslissingen vaak niet gebaseerd op ecologische argumen- ten. In het beste geval worden zulke beslissingen genomen op basis van de aanwezigheid van bepaalde biotopen [d.i., gebiedsgericht] of op basis van het behoud van ecologische processen. Soort-specifieke informatie is, tot op heden, slechts zelden gebruikt bij het evalueren of selecteren van gebie- den of in natuurbeleidsdomeinen. Er is echter een toenemende interesse voor het gebruik van soorten als instrumenten of als doelen in het natuur- behoud in Vlaanderen. Het gebruik van short-cut concepten zoals indicator- soorten is bijzonder aantrekkelijk, maar tegelijkertijd problematisch omdat hun doeltreffendheid vaak enkel verondersteld wordt, maar zelden getest. Bovendien is een enkele indicatorsoort zelden in staat om alle ecologische behoeften van een groot aantal andere soorten of een groot deel van de abi- otische biotoopkarakteristieken te omvatten. Daarom werd recent het gebruik van een multi-soortenaanpak in verschillende natuurbehoudstoe- passingen voorgesteld. Ongewervelden vormen 75% van alle biodiversiteit, maar worden vaak over het hoofd gezien als mogelijke instrumenten of doelen in het natuurbehoud. Het feit dat vele ongewervelden echter een smalle niche innemen, biotopen op een kleine schaal gebruiken, weinig mobiel zijn en snel reageren op veranderingen in hun omgeving, maakt hun ‘informatie-inhoud’ complementair aan die van beter gekende soorten zoals vogels, zoogdieren of planten. In de verschillende hoofdstukken van deze thesis wordt nagegaan in welke mate het gebruik van [multi-]soorten informatie een meerwaarde kan zijn voor het natuurbehoud en –beleid in Vlaanderen. De aandacht gaat daarbij vooral naar ongewervelden in het algemeen en naar dagvlinders in het bij- zonder, die hier als modelorganismen gebruikt worden. Hoofdstuk 2 beschrijft het toepassen van een uniforme en kwantitatieve Rode-Lijstmethodiek en het gebruik van internationaal aanvaarde Rode- Lijstcategorieën, die nu algemeen gebruikt worden in Vlaanderen. Deze uni- formiteit vergemakkelijkt zowel het vergelijken van de bedreigingsgraad van soorten uit verschillende taxonomische groepen als de communicatie met internationale instanties [bv. IUCN, EU, Raad van Europe]. In Hoofdstuk 3 wordt ecologische en verspreidingsinformatie van soorten, in dit geval dagvlinders, gekoppeld aan veranderingen in landgebruik gedu- rende de 20ste eeuw. Deze analyse toonde aan dat verlies van geschikt habitat, habitatfragmentatie en vermesting de voornaamste oorzaken waren van de achteruitgang van dagvlinders in Vlaanderen. Dagvlinders kunnen op die manier mede gebruikt worden als gevoelige indicatoren voor het beschrijven van de toestand van de natuur. Inventarisatieprojecten hebben vaak te maken met ongelijke speiding van de gegevens zowel in de tijd [er zijn vaak veel meer recente dan historische gegevens beschikbaar] als in de ruimte [door de ongelijke geografische verdeling van waarnemers over Vlaanderen]. Om zulke problemen gedeeltelijk op te vangen kunnen modelleertechnieken [voor het aanduiden van potentieel soortenrijke gebieden] gebruikt worden waardoor onder- of helemaal niet-geïnventariseerde regio’s betrokken kun- nen worden bij natuurbehoudsvragen [Hoofdstuk 4]. Bovendien kunnen dergelijke technieken inventarisatieprojecten merkelijk optimaliseren door waarnemers aan te geven waar potentieel soortenrijke regio’s gelegen zijn. Het baseren van het selecteren van gebieden op een enkele soort of taxonomische groep is meestal niet aangewezen aangezien de veronderstelling dat soortenrijkdom tussen verschillende taxonomische groepen gecorreleerd is, fout blijkt. Het toepassen van een multi-soortenaanpak voor het afbakenen van poten- tieel soortenrijke gebieden in Vlaanderen, wordt onderzocht in Hoofdstuk 5. Om de ongelijkheid in inventarisatie-inspanning zowel in tijd als in ruimte te compenseren, passen we eerst modelleertechnieken toe op vijf goed- geïnventariseerde taxonomische groepen [planten, libellen, dagvlinders, amfibieën en reptielen en vogels] om de soortenrijkdom per groep te voor- spellen. In Vlaanderen blijken de vier faunagroepen relatief goede indicato- ren voor elkaars soortenrijkdom te zijn, maar was de verspreiding van de plantensoortenrijkdom veel minder goed gecorreleerd met die van de fau- nagroepen. Gedetailleerd autecologisch onderzoek naar invertebraten in bedreigde biotopen [zoals natte heide] toont aan dat ongewervelden nuttige informatie kunnen toevoegen aan de voornamelijk gebiedsgerichte aanpak in Vlaanderen. Hoofdstuk 6 gaat dieper in op de samenstelling van de mierenfauna op natte heide en op hoe deze informatie gebruikt kan worden bij het opstellen of aanpassen van beheersplannen. Het aanpassen van het beheer met behulp van deze kennis, kan het aantal potentiële nestplaatsen van de typi- sche mierenfauna aanzienlijk verhogen. Deze maatregel kan lokaal zeker ten goede komen van het Gentiaanblauwtje Maculinea alcon, een zeldzame myrmecofiele soort van natte heide. In Hoofdstuk 7 bakenen we functionele behoudseenheden af voor deze, ook op Europese schaal, bedreigde dagvlinder. We maken hiervoor gebruik van gedetailleerde kennis over de ecologie, verspreiding, mobiliteit en kolonisa- tie-capaciteit om drie types behoudseenheden af te bakenen waarin natuur- beheer met verschillende intensiteiten uitgevoerd moet worden. Het gebruik van duidelijk afgebakende behoudseenheden en het voorstellen van gedetailleerd natuurbeheersvoorstellen voor het behoud van een bedreigde soort vergemakkelijkt de communicatie met mensen in het veld aanzienlijk. Aangezien het behoud van een enkele soort zelden het behoud van een hele reeks samenlevende soorten kan verzekeren, passen we eveneens een multi-soortenaanpak toe voor het beheer en het behoud van natte heide in Vlaanderen [Hoofdstuk 8]. Het gebruik van een groep gemakkelijk herken- bare en determineerbare soorten uit verschillende taxonomische groepen [2 vogels, 2 planten, 2 libellen, 2 dagvlinders en 1 sprinkhaan] bleek een betere ‘behoudsparaplu’ te zijn dan het exclusief gebruik van het Gentiaanblauwtje Maculinea alcon. In een Iaatste hoofdstuk wordt het gebruik van [indicator] soorten in het natuurbehoud in Vlaanderen bediscussieerd [Hoofdstuk 9]. Hier worden suggesties gegeven voor een beter gebruik van de beschikbare informatie [door een betere ontsluiting van bv. verspreidingsgegevens, Rode Lijsten en soortbeschermingsplannen] in het natuurbehoud. Tevens worden richtlijnen gegeven voor het verzamelen van relevante, maar momenteel ontbrekende, informatie voor een optimaler gebruik van soorten. Een wetenschappelijk onderbouwde aanpak [in tegenstelling met de momenteel vaker toegepaste ervaringsgerichte aanpak] en het gebruik van een groter aantal [indicator] soorten voor een grote verscheidenheid aan natuurbehoudstoepassingen [bv. biotoopbeschrijvingen, het evalueren van habitatkwaliteit, inschatten van de effecten van natuurbeheer, opvolgen van natuurontwikkelings- of landinrichtingsprojecten, het selecteren van gebieden voor het Vlaams Ecologisch Netwerk, enz.] worden bepleit. Tenslotte wordt de nood aan een betere communicatie tussen de verschillende actoren in het natuurbehoud [wetenschappers, natuurbeheerders en beleidsmensen] benadrukt.

Author-supplied keywords

  • Vlaanderen
  • beleid
  • indicatorsoorten
  • natuurbeheer
  • ongewervelden

Get free article suggestions today

Mendeley saves you time finding and organizing research

Sign up here
Already have an account ?Sign in

Find this document

There are no full text links

Authors

  • Dirk Maes

Cite this document

Choose a citation style from the tabs below

Save time finding and organizing research with Mendeley

Sign up for free