Ph. van Praag jr., Strategie en illusie. Elf jaar intern debat in de PvdA (1966-1977)

  • Bosscher D
N/ACitations
Citations of this article
9Readers
Mendeley users who have this article in their library.

Abstract

Philip van Praag, Strategie en illusie 8 Dit boek gaat over de politieke en electorale strategie van de PvdA in de periode 1966-1977 met nadruk, verder neemt Van Praag de aanloop vanaf 1946 er ook nog in de inleiding. 11 Hoofdstuk 2 Van Doorbraak tot Strijdpunt 12 1967 publiceerden Rokkan en Lipset artikel waarin ze betoogden dat het partijstelsel in West-europa nog steeds gebaseerd was op dezelfde maatschappelijke tegenstellingen/conflicten als in de jaren twintig: frozen party systems. (religieuze, cultureel/etnische, klasse, stad/platteland). Verklaring: integratie van arbeidersbeweging in partijsysteem, alle groepen waren vertegenwoordigd. Nieuwe partijen kregen weinig kans. Veranderingen in partij-ideologie werden succesvol verkocht als aanpassingen aan maatschappelijke veranderingen. Nederland voldeed volledig aan het model. 14 Het beeld van de verzuiling als een zeer stabiel maatschappelijk en politiek systeem is juist, maar verhult dat binnen dat systeem wel degelijk politieke strijd plaats vond. Maar in de perceptie van de politieke partijen was de labiliteit van hun positie eerder maatgevend. Bovendien: stabiliteit in de 15 electorale resultaten verhult vaak verschuivingen tussen partijen. Subculturele organisaties waren vaak van groot belang in het succes van partijen. Integratie-gerichte electorale strategie, nauwkeurig omschreven politieke doelgroepen. 16 doorbraak: eenheid van politiek en verscheidenheid van levensbeschouwing waren kenmerkend voor de doorbraakgedachte. In de ogen van de pvdA was er sprake van een belangrijke met de KVP gedeelde electorale markt. 18 naast het meer gangbare probleem van sociaal-democratische partijen na de oorlog, namelijk dat gerichtheid op middengroepen communisten in de kaart speelt en de organiserende factor klasse doet verdwijnen had de PvdA het probleem van de confessionelen. “Voorwaarde voor een succesvol doorbraakstreven van de PvdA was dat er een electorale strategie ontwikkeld werd die zowel de traditionele arbeidersaanhang vasthield als de confessionele arbeiders en belangrijke delen van de middenklasse aansprak. Deze opgave zou te moeilijk blijken voor de PvdA. KVP had een samenwerkingsstrategie onder leiding van Romme en Stokman. 25 verkiezingen 1959: televisiezendtijd politieke partijen, meer journalistieke middelen benut door de PvdA. Advertenties geweigerd door AD en NRC. In ’56 was er een personality campaign geweest (dit dus nog voor het televisietijdperk) 26 campagne week op een aantal beslissende punten af van ’56, zowel op politiek-inhoudelijk als campagnetechnisch gebied. Den Uyl signaleerde na de verkiezingen een verlies van de middengroepen tov de VVD, een probleem met het bereiken van jongeren en tekenen van ontzuiling. Analyse Den Uyl kwam sterk overeen met Braam (Misnoegen der middengroepen) Burger was voor een op de arbeiders gerichte electorale strategie, zag later het meningsverschil hierover als belangrijkste reden van zijn vertrek in 1962 (Vondeling vond dat men zich wel op de middengroepen moest richten). 1961: kiezersonderzoek door commissie Van Thijn. Vondeling vond dat belangstelling voor politiek moest worden opgevoerd door inspelen op actualiteit, PvdA scherper en herkenbaarder profiel moest krijgen en dat kiezers/gekozener dichter bij elkaar moesten komen, later door Van Thijn gekarakteriseerd als eerste PvdA televisiepersoonlijkheid. 1963: Ironie was dat de PvdA veel onderzoek deed en een actiecommissie had die toezag op de publiciteit er vijf zetels verlies werden geleden. Onderzoek liet zien dat de ‘goede naam’ van de partij verdwenen was. Kiezers reageerden emotioneler. 29 van Thijn legde grote nadruk op de verburgerlijking van het electoraat, maar ging voorbij aan het feit dat katholieke middengroepen eerder over aan het lopen waren naar de liberalen dan naar de socialisten (Kusters) 30/31 Om de kwaliteit van het bestaan (1959): den uyl was niet direct overtuigd van de “nieuwlichterij” van J.K. Galbraith, moest overtuigd worden door de rest van WBS maar droeg daarna ook met verve de op galbraith geënte visie uit. Achteraf kan volgens Van Praag worden gezegd dat er een sterk “maakbare samenleving” gehalte aanwezig was in Den Uyls meesterstuk. 33 Invloedrijk artikel Ed van thijn in Socialisme en Democratie 1966, polarisatiestrategie werd hierrin voorafschaduwd. Herkenbaar campagne voeren op basis concrete beleidsvoornemens, niet algemene politieke doelstellingen. 35 PvdA verkiezingscampagne 1967 was de eerste waarbij reclamebureau ook uitvoerend betrokken was. Kritiek op Lijphart: passiviteit van gewone man gedurende de pacificatie, het staat bovendien volgens hem op gespannen voet met het belang dat Lijphart zelf hecht aan de verzuilde media etc. 36 Kritiek op de regentenmentaliteit: de onwil van de politieke partijen en van veel bestuurders zich te verplaatsen in het onbehagen en de kritiek, en het onvermogen om op de nieuwe protestvormen soepel te reageren, bracht groepen kiezers binnen en buiten de bestaande partijen tot ongerustheid over het functioneren van het politieke bestel. Invloedrijke intellectuelen op dit moment: Glastra van Loon (wilde vernieuwing kiesstelsel), 37 Daudt (ook voor electorale vernieuwing). Velen zagen de vorming van drie kabinetten op basis van 1 verkiezingsuitslag werd door velen gezien als uitholling parlementaire democratie. 40 D’66 was ervan overtuigd dat uiteindelijk het paertijstelsel ingrijpend gewijzigd zou gaan worden; dat bleek achteraf niet gerechtvaardigd, de democratiseringsbeweging werd “overeenkomstig de tijdgeest” overschat, en men onderschatte de blijvende invloed van religie. 42 Nieuw Links: in zoverre dit een democratiseringsbeweging was ging het meer om democratie binnen de partij; staatsrechtelijke vernieuwing stond niet heel hoog op de agenda, noch partijpolitieke vernieuwing, NL was vooral gericht tegen compromisbereidheid. Eis van het minimumprogramma (die verworpen werd), kwam voort uit wantrouwen tegen partijleiding. 43 Een stem die telt: rapport werkgroep: pleiten voor twee concentraties van politieke macht die elkaar zouden afwisselen: invloed Van Thijn met zijn pendule, waaier en tangdemocratie. 45 Maar Van Thijn ging op één punt verder dan de werkgroep, namelijk met zijn pleidooi voor de integratiepartij. Op dit punt kenmerkte zijn denken zich volgens Van Praag door een zekere ambivalentie: aan de ene kant minder sterke partijtegenstellingen dus (Schumpeter) aan de andere kant juist mét Den Uyl voor het voorleggen van heldere keuzes aan de kiezer. (meer Engelse partijstelsel). 46 Belangrijk verschil met NL: zij waren tegen kiesrechthervorming, wantrouwiger tegen D’66, hadden het niet over een stembusaccoord, en wilden vooral een inhoudelijke radicalisering van de PvdA. De commissie-Den Uyl streefde wel veel meer naar verdere democratisering van het politieke bestel, maar waren niet voor inhoudelijke radicalisering. Wat men deelde was de frustratie over de confessionelen. In 1967 eiste Den Uyl dat de KVP zou zeggen met wie ze wilden regeren, en verklaarde na mislukking dat hij vóór minimumprogramma was. 48 Na verkiezingen ’67 kritiek NL op omarmingsstrategie richting D66. Het beleid gericht op staatsrechtelijke vernieuwing en stembusaccoorden, de omarmingsstrategie, was mede op de groep van de ‘cultuurgevoeligen’ gericht. Van Praag analyseert dat de PvdA zich dus richtte op twee groepen cultuurgevoeligen: diegenen met een zeer links wereldbeeld (NL) en degenen uit de middengroepen met een modernistisch wereldbeeld (Van Thijn c.s.), waardoor twee traditionele doelgroepen werden verwaarloosd, namelijk de tradionele arbeidersaanhang en de confessionelen. Strategie NL: confessionelen binden door polarisatiestrategie. 50 Uitsluiting KVP in combinatie met inhoudelijke radicalisering paste niet in het denken van de commissie. HS 3 Integratie NL 58 NL waakte ervoor als een zich afsplitsende groep te worden gekenmerkt en aanleiding te geven voor disciplinaire maatregelen (geen leden, alleen sympathisanten), NL kende een slingerbeweging tussen oligarchisering en democratisering. Toch veel verzet tegen hun publicaties die als teken van groepsvorming werd gezien. 60 Volgens Van den Doel was de ‘aflossing van de wacht’ een van de hoofddoelstellingen (bereikt bij congres 1967, 7 mensen in partijbestuur), tweede was oplossing vervreemding politiek en kiezers. 61-63: Interne twist partijbestuur-fractie-partijraad. 64 Congres 1969 zou doorslaggevend worden voor de partij. Anti-KVP resolutie NL kwam er eindelijk doorheen. Een van de beroemdste en beruchtste congressen uit geschiedenis PvdA. NL bereikte vermindering toegestane kamerleden in partijbestuur, dat echtere tegelijk beslissende bevoegdheid aan het bestuur ontnam. 68 Na verkiezing Van der Louw was er eerst een tijd radiostilte, later normaliseerden verhoudingen zich. 71 1970-1971: NL definitief geïntegreerd in de partij. Den Uyls reactie op Maagdenhuisbezetting: De smalle marges van democratische politiek, invloedrijk stuk, ook over buitenparlementaire en antiparlementaire actie. “Zijn waarschuwing dat de PvdA niet achter elke actie mag aanlopen en dat democratie nooit kan betekenen dat de meest belanghebbende groep alleen uitmaakt wat er gebeurt trok een kritische grens in de vernieuwing van de PvdA..” 73 PAK-akkoorden bleken gaandeweg 1970 geen succes, versnelden ook oprichting DS’70 76 Een belangrijk deel van het PvdA-electoraat en ook een deel van de eigen leden voelden niet zoveel voor allerlei vernieuwingsideeën. 86 Van Praag ziet het als een strategische misrekening dat de PvdA in december 1970 de deur dicht deed voor de confessionelen. “…het continueren van de anti-KVP resolutie was vanuit strategische overweging een misrekening.” 96 De belangrijkste politieke conflictne in de periode 1967-1971 draaiden dus om Nieuw Links versus Den Uyl, waar de laatste goed uit kwam. Behoefte bij het partijbestuur om handelingsvrijheid Den Uyl in te perken werd niet minder;

Cite

CITATION STYLE

APA

Bosscher, D. F. J. (1995). Ph. van Praag jr., Strategie en illusie. Elf jaar intern debat in de PvdA (1966-1977). BMGN - Low Countries Historical Review, 110(1), 156–158. https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.3995

Register to see more suggestions

Mendeley helps you to discover research relevant for your work.

Already have an account?

Save time finding and organizing research with Mendeley

Sign up for free